Menu Sluiten

Marlene Dumas – Ontmoetingen

Marlene Dumas – Maar wie ik ben gaat niemand wat aan (1991), Olieverf op doek 36 delen, elk 60 x 50 cm, geïnstalleerd 370 x 310, collectie De Pont Tilburg.

Toen ik als geestelijk verzorger in de GGZ werkte, zo’n tien jaar geleden, kwam het wel eens voor dat een cliënt in de huiskamer van een afdeling aan mij vroeg of ik net was opgenomen. Ik voelde dan even die ongemakkelijkheid. Ook buiten op het uitgestrekte terrein tussen de verschillende paviljoens werd ik wel eens nieuwsgierig door cliënten aangesproken en aangezien voor een ‘nieuwe’. Ik liep er net als andere medewerkers rond zonder zichtbare identificatie. Geen uniformen, badges en witte jassen. Een enkele keer zag je op het terrein wel eens een verdwaald grijs pak of mantelpak rondlopen en dan wist je vrijwel zeker dat je te maken had met directieleden of buitenstaanders. De meeste medewerkers liepen rond in hun alledaagse kloffie en als het zomers warm werd ook wel eens in korte broek met slippers. Het paste eigenlijk wel bij de professionele geaardheid van de geestelijk verzorger waar afstemmen met de ander zoveel mogelijk dient te gebeuren in gelijkwaardige wederkerigheid zoekend naar wat voor de ander van wezenlijke waarde en betekenis is.

In 1989 begon Marlene Dumas (1953) in nauwe samenwerking met cliënten aan een bijzonder project in de voormalige GGZ-instelling Het Hooghuys in Etten-Leur dat resulteerde in een kunstwerk en een aantal workshops met een groep bewoners. Maar wie ik ben gaat niemand wat aan, een wandhoog werk bestaande uit 36 afzonderlijke schilderijen van 50 x 60 cm, heeft aanvankelijk jarenlang in het restaurant van de instelling gehangen en is inmiddels een langdurige bruikleen van museum De Pont in Tilburg. 

Marlene Dumas – Maar wie ik ben gaat niemand wat aan (1991), detail.

De wens om een kunstwerk te realiseren in Het Hooghuys ontstond nadat de intramurale setting van grote zalen met meerdere bewoners die bij elkaar leefden na de stormachtige veranderingen in de psychiatrie in de jaren zeventig en tachtig in ethisch opzicht niet meer houdbaar was. Men zocht naar meer autonomie en een menswaardige leefomgeving voor de bewoners met eigen kamers en een ‘dorpsgevoel’. Een kunstwerk zou daaraan bij moeten dragen. Men wilde geen standaard kunstwerk op een grasveldje of iets dergelijks maar een ‘open werkplaats’ waar patiënten en medewerkers vrijelijk konden deelnemen in de hoop dat er iets zou ontstaan als een verbeelding van de alledaagse praktijk en leefwereld in de psychiatrie. De verbeelding van dat dorpsgevoel.

Aanvankelijk was men wat terughoudend om met Marlene Dumas in zee te gaan. Dumas was op dat moment al een kunstenaar van wereldfaam en het hele idee om workshops te houden in werkplaatsen met bewoners van Het Hooghuys was voor alle betrokkenen onontgonnen terrein.

Dumas heeft ooit in haar jonge jaren wel eens de gedachte gehad om creatief therapeut te worden en haar interactieve samenwerking met de bewoners van Het Hooghuys kwam er misschien wel heel dichtbij. Ze participeerde in workshops met de cliënten en was deels begeleider en deels deelnemer. Dat verschil was niet altijd te merken. Ook Dumas was soms aan het ploeteren met materiaal dat ze niet kende. Het zorgde voor minder afstand en ze wist  de harten van medewerkers en cliënten te winnen met haar authentieke aanwezigheid. Ze had ontmoetingen waar verhalen werden gedeeld. Ze dronk bij sommigen koffie op hun kamers, nodigde cliënten uit op haar woonboot in Amsterdam en ze correspondeerde ook na het project nog met verschillende cliënten.1

Marlene Dumas – Maar wie ik ben gaat niemand wat aan (1991), detail.

Het gelaagde existentiële landschap van de mensheid dat Dumas ontvouwt in haar hele oeuvre raakt aan de dood, geboorte, lijden, liefde, seksualiteit, gender en identiteit. En vaak bekruipt je het gevoel bij het kijken dat je deze beelden ergens van kent. Fotomateriaal uit kranten en tijdschriften vormen doorgaans de basis voor haar werken. Ze heeft dan ook een enorm archief van mappen en knipsels in haar atelier in Amsterdam.

Een geraffineerde fotografische en filmische blik bepaalt haar scenes en uitsnedes. Solitair of in groepen, mensen figureren prominent in haar werk. Terroristen, modellen, sekswerkers, celebrities, gemartelden, machthebbers en naamlozen hangen veelal naast en door elkaar. En telkens is er de verwondering naar wie die mens is. Wie zijn de mensen waar we naar kijken en in welke context ontmoeten we ze eigenlijk. Hoe kijken we als een beeld uit zijn context is gehaald en wordt vermengd met andere werkelijkheden. Hoe zit het met ons oordeel in het kijken?

Dumas: ‘Het doel van mijn werk is, geloof ik, altijd geweest om in mijn publiek (en ook mezelf) een ervaring van empathie met mijn onderwerp op te wekken (of het nu een krabbel, een zin of een gezicht is …) meer dan sympathie.’2

Voor de portettenserie Maar wie ik ben gaat niemand wat aan maakte Dumas veel polaroids van cliënten waarvan er een altijd voor de cliënten zelf was. Ze maakte ook foto’s van medewerkers, het varken van de huisboerderij, de knuffelpop van een van de cliënten, een huiskonijn, een nachtaapje en een kikker. De maan verwijst naar de klassieke associatie met waanzin. Een van de bewoners staat er twee keer op tussen zijn held Jim Morrison. Van de 36 portretten zijn er 22 van cliënten en 4 van medewerkers waaronder de directeur.

Marlene Dumas – Maar wie ik ben gaat niemand wat aan (1991), detail. Gedicht van Jan Arends en opstellingsoverzicht.

Dumas: ‘Ik wilde mensen afbeelden in hun complexiteit, een nooit totaal op te sommen identiteit. Omdat de schilderijen ontstonden uit Polaroids is er dat contact van wederzijds aankijken. Zij weten dat ik er ben, met mijn verlegenheid en eenzaamheid, en wij kijken naar elkaar. Ik ben geen rechter, ik ben een medemens, wat niet betekent dat we niet, noodgedwongen, over elkaar oordelen, en vaak in ongelijke machtsposities verkeren, maar nogmaals, dat zijn niet de momenten die ik gekozen heb om uit te beelden. Zoals ik ook niet de momenten zocht, waarin razernij of het verlies van controle hoogtij vieren. Het ging mij om momenten waarin wij elkaar begroeten met al onze angsten en vrezen en ongelukkigheden, wel innerlijk aanwezig, maar niet op de voorgrond geduwd. De dood die ons scheidt, verbindt ons ook tot een gemeenschappelijk lot.’

Een gedicht van Jan Arends dat linksonder is geschilderd op een van de doeken refereert aan de dood. Arends is zelf in zijn leven veelvuldig opgenomen geweest in psychiatrische instellingen.

Maar wie ik ben gaat niemand wat aan heeft lang in het restaurant van de instelling gehangen waar men naar verloop van tijd niet meer wist wie cliënt en wie medewerker was op de schilderijen. Het maakt scherp hoe groepsdenken en identiteit functioneert. Een cliënt heeft destijds nog een poging gedaan om met een van de portretten onder zijn arm zijn bordje friet in de kantine te betalen. De kantine werd ook steeds meer een plek waar bezoekers kwamen om het werk van Dumas te bekijken. Daarna is men toch gaan nadenken over een betere tentoonstellingsplek en de rauwe bakstenen ruimte in de Pont, een voormalige wolspinnerij lijkt de perfecte plaats voor dit werk.

Tegenover deze ruimte is Black drawings (1991-1992) te zien, een ander werk van Dumas dat inhoudelijke verwantschappen vertoont met Maar wie ik ben gaat niemand wat aan. Het is gemaakt rond dezelfde tijd en het hangt in een vrijwel spiegelbeeldige ruimte. Ook hier hangen veel kleine werken bij elkaar, 111 kleine zwarte inkttekeningen die met dunne spijkertjes op de muur zijn geprikt en linksonder een zwartgrijze leisteen.

Marlene Dumas – Black drawings (1991-1992) 111 tekeningen: inkt op papier, een stuk leisteen totaal 230 x 295 cm, collectie De Pont Tilburg.

Er zijn gezichten te zien van mensen met een zwarte huidskleur die verschillende gelaatsuitdrukkingen tonen. De tekeningen zijn met een snelle toets geschilderd en bestaan soms uit niet meer dan een paar dunne lijnen die zich in waterige vloeibaarheid verzachten. Vele ogen kijken je aan. Je probeert in het kijken de gezichten te onderscheiden en er ontstaat een onbehaaglijk gevoel omdat je telkens terug wordt geworpen in de grote groep gezichten. Al snel zoeken de ogen naar houvast en zien andersoortige beelden, het monolithische antraciet van de leisteen rechtsonder, iets wat lijkt op een schedel, een zwarte ovaal in transparant grijszwart en plotseling zie je ook een wit meisje met lange haren rechts boven in de hoek dat haar hand voor ‘de camera’ houdt. De contouren van de ogen zijn nog net zichtbaar achter haar hand. Het laatste beeld verwijst misschien naar haarzelf als bevoorrechte witte vrouw geboren en opgegroeid tijdens de apartheid van Zuid-Afrika. Haar vader was een wijnboer. Het fundamentele verzet van Dumas tegen stereotyperingen en het categoriseren van mensen is mede geworteld in haar eigen geschiedenis.

Marlene Dumas – Black drawings, details

Over Black drawings zegt Dumas: ‘In feite was het een boek dat me de aanzet gaf tot de Black drawings – een collectie prentbriefkaarten met foto’s die vanaf het begin van de vorige eeuw in Afrika waren genomen. Aan deze foto’s is goed te zien hoe de Europese kolonisten naar de afrikanen keken. De briefkaarten zijn niet zozeer portretten als wel visuele registraties van de lichamen van de mannen en vrouwen. Maar bij de Black drawings heb ik me juist niet op de lichamen gericht; ik heb de gezichten gebruikt. Die gezichten vertoonden veel verschillende uitdrukkingen, en ze waren bepaald niet altijd vriendelijk. Misschien waren ze tegen hun wil genomen, alsof ze het object van antropologisch onderzoek waren. Het was ook het eerste werk waarin ik een grote hoeveelheid zwarte inkt heb gebruikt, dus ik was er niet blij mee toen er over werd geschreven dat het alleen over apartheid zou gaan. Behalve over politiek ging het ook over zwartheid als positieve toestand en als zwart als prachtige kleur.’3

De ruimtes waar beide werken hangen in de Pont functioneren voor mij soms als een soort bezinningsruimte. ‘Maar wie ik ben gaat niemand wat aan’ en ‘Black drawings’ hangen er permanent en bij elk bezoek aan de Pont zit ik even op het houten bankje, vaak ongestoord alleen met in mijn gedachten de raadselachtige vreemdheid van mijn mens-zijn.

Het oude gebouw van Het Hooghuys is tegenwoordig een museum en een ruimte voor psychiatrie en beeldende kunst met kunstwerkplaatsen.

Noten

  1. Jan Tromp, Marlene Dumas, Ernst Hoette, Hans den Hartog Jager. Maar wie ik ben gaat niemand wat aan. Breda: GGZ Regio Breda, 2005. Online: https://www.marlenedumas.nl/wp-content/uploads/D-1990-1991-Het-Hooghuys-publicatie-selectie.pdf
  2. Mark, L.G (2008). The binding factor: the maternal gaze of Marlene Dumas. Marlene Dumas: Measuring your own grave, pag. 216, DAP inc. New York.
  3. Coelewij, L., Sainsbury, H., & Vischer, T. (Eds.). (2014). Marlene Dumas: The image as burden. pag. 60. Tate Publishing.

1 Comment

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.